• Investeert voortdurend in kennis
  • Pro-activiteit
  • Een persoonlijke service
  • Pragmatisch & Dynamisch
  • Uw boekhouding online

Interesse?

Contacteer ons vrijblijvend via onze contact- pagina of telefonisch via 055/30.14.41 

Mag mijn kind een vakantiejob doen in mijn vennootschap?

Gepost op 16 juli 2021 in Fiscaliteit

Kinderen van bedrijfsleiders kunnen zonder problemen een vakantiejob doen in de vennootschap van hun ouder(s). Er zijn echter wel een aantal fiscale aandachtspunten.

  • Uw kind kan, afhankelijk van de situatie, aan de slag als jobstudent of als student-zelfstandige.
  • Opdat het kind ten laste zou blijven, moet er aan een aantal voorwaarden voldaan worden.

In welk statuut kan mijn kind werken?

Het is aangeraden om uw kind als jobstudent in dienst te nemen. Het statuut van student-zelfstandige dat in 2017 in het leven werd geroepen kan interessant zijn als uw kind tijdens zijn/haar studie een eigen bedrijf opstart, maar is bij vakantiewerk minder aanbevolen aangezien er in dit statuut aan een extra voorwaarde voldaan moet worden om ten laste te kunnen blijven. Om uw kind als jobstudent aan te werven, moet het werk verricht worden op basis van een studentenovereenkomst.

Het is geen optie om uw kind als zelfstandig helper van uzelf als bedrijfsleider aan te nemen: uw zoon of dochter is dan automatisch niet meer ten laste en de fiscus zal hoogstwaarschijnlijk de aftrek van het loon van uw kind door uw vennootschap weigeren.

Hoe blijft mijn kind ten laste?

Om uw kind ten laste te kunnen houden, mogen bepaalde drempels met betrekking tot de nettobestaansmiddelen niet overschreden worden. Voor 2021 bedraagt deze drempel € 3.410 voor gehuwden en wettelijk samenwonenden en € 4.920 voor alleenstaanden of feitelijk samenwonenden. Het is echter belangrijk om te weten dat de eerste schijf van inkomsten als jobstudent of student-zelfstandige tot € 2.840 niet meetelt als nettobestaansmiddelen.

Voorbeeld: In 2021 heeft uw kind een brutoloon van 5.000 euro (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdrage of solidariteitsbijdrage) ontvangen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten. Enkel het deel dat de 2.840 euro overschrijdt, dus 2.160 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel. Na aftrek van de forfaitaire kosten (2.160 euro x 20 % = 432 euro, met een minimum van 470 euro), bedraagt het netto bedrag 1.728 euro.

Voor een student-zelfstandige geldt een extra voorwaarde om ten laste te blijven: zijn/haar brutoloon uit uw vennootschap mag niet hoger zijn dan € 2.000 per jaar en mag daarnaast niet hoger zijn dan de helft van zijn/haar totale belastbare inkomen (excl. onderhoudsuitkeringen).

In het kader van de coronacrisis werd bovendien bepaald dat de inkomsten van studentenarbeid in de eerste twee kwartalen van 2021 in het onderwijs of in de zorgsector niet meetellen voor de grens van de € 2.840 vrijgestelde inkomsten. Er is momenteel ook een wetsontwerp in de maak dat deze uitzondering voor het derde kwartaal uitbreidt naar studentenjobs in élke sector.

Wens je meer informatie over dit onderwerp? Aarzel dan niet om ons te contacteren! Onze experts staan voor je klaar!

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief